Financiële positie

Financiële begroting

Toelichting
Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) schrijft voor, dat er naast de programmabegroting en de paragrafen ook een “financiële begroting” wordt gemaakt. Hierin wordt inzicht gegeven in:

  • de meerjarenraming/ prognose meerjarenperspectief 2021 – 2024
  • het overzicht van baten en lasten
  • overzicht van incidentele baten en lasten
  • de financiële uitgangspunten

 

Meerjarenraming

In de meerjarenraming wordt de ontwikkeling van het saldo aangegeven vanaf het uitgangspunt in de programmabegroting 2020 en vervolgens de autonome en structurele ontwikkelingen. Immers, we sturen op een structureel meerjarig sluitend resultaat.

NB. Alle positieve bedragen dragen bij aan een positieve ontwikkeling van het begrotingssaldo, negatieve bedragen verslechteren het resultaat.

De toelichting op de autonome ontwikkelingen en beleidsmatige ontwikkelingen zijn onder de betreffende opgaven en programma’s benoemd.

Overzicht van baten en lasten

Bij de afzonderlijke programma’s is steeds een overzicht van de baten en lasten opgenomen. In de volgende tabel treft u een totaaloverzicht van alle programma’s aan. Volgens het BBV mogen de mutaties in de reserves niet via de programma’s lopen, maar moeten afzonderlijk zichtbaar zijn.

Daardoor ontstaan er twee exploitatiesaldo’s, te weten een saldo vóór resultaatbepaling en een saldo na resultaatbepaling. Concreet betekent dit dat er eerst een telling wordt gemaakt van de begroting zonder de mutaties in de reserves (= vóór resultaatbepaling). Daarna volgt een telling rekening houdend met stortingen in- en onttrekkingen aan de reserves (= na resultaatbepaling).

Financiële uitgangspunten

Beleidsuitgangspunten

Basis voor de financiële uitgangspunten is het coalitieprogramma 2018-2022. Financiën in balans, het behouden van een gezonde financiële positie. Daarbij is in het coalitieprogramma een aantal uitgangspunten gedefinieerd:

  • Meerjarig structureel sluitende begroting behouden.
  • Uitvoering sociaal domein binnen beschikbare budgetten.
  • Weerstandsratio minimaal op een niveau van 2 houden.
  • Zalmnorm (Alle niet-bestede middelen naar de algemene reserve en efficiency gaat voor lastenverhoging).
  • Verhoging OZB trendmatig tot maximaal 3% als het beleid maximaal gericht is op besparingen en efficiency, én de besparingen daadwerkelijk ingezet voor sluitende exploitatie.

Financiële sturing op basis van integrale besluitvorming

Om een integraal afgewogen beleidsontwikkeling te garanderen is het belangrijk om zowel bestuurlijk als ambtelijk een zelf opgelegde discipline te handhaven.
Het gaat dan om twee dingen:

  • Een gelijkmatige, voorspelbare financiële ontwikkeling omdat onzekerheid op dit punt tot bestuurlijke onrust leidt en direct de bestuurlijke aandacht afleidt van waar het werkelijk inhoudelijk om gaat.
  • Beperking van tussentijdse beleidswijziging vooral met significante financiële impact. Het risico wordt dan groot dat tot verkeerde/onnodige beleidswijzigingen wordt besloten.

Dat stelt ons als bestuur ook voor de nodige uitdagingen. Enerzijds dat we accepteren dat:

  • 100% controle niet mogelijk is
  • inschattingen verkeerd kunnen zijn

Anderzijds dat we vóóraf spelregels afspreken, vastgesteld in de begrotingsdoctrine.

Tussentijds bijsturen van inhoudelijk beleid zonder financiële consequenties is altijd mogelijk. Tussentijdse voorstellen met financiële consequenties, die per definitie dus niet integraal kunnen worden afgewogen met andere beleidsontwikkelingen, moeten zoveel mogelijk worden vermeden.

Op basis van deze discipline moet tussentijdse besluitvorming over ontwikkelingen met financiële en/of capaciteitsgevolgen voldoen aan twee O’s: Onvermijdelijk en Onuitstelbaar. Alle andere voorstellen met structurele financiële en of capaciteitsgevolgen worden opgespaard tot de volgende begroting zodat een meerjarige integrale afweging mogelijk blijft.

Begrotingsdoctrine

In de financiële verordening is opgenomen dat de raad deze spelregels vastlegt in een begrotingsdoctrine of begrotingsnorm opgenomen. Voor deze nieuwe raadsperiode stellen we voor om de doctrine te actualiseren op het punt van de leningenportefeuille. Het eerder in de begroting 2016 verwachte maximum zal niet worden gehaald. In het coalitieprogramma is verdere afbouw opgenomen. Dit kan in de doctrine worden opgenomen.

Met deze doctrine stelt de raad vooraf kaders om te bepalen wat er moet gebeuren als een bepaalde financiële situatie zich voordoet.

  1. We stellen voor de komende vier jaar als begrotingsdoctrine te hanteren:
  2. De begroting moet elk jaar structureel sluitend zijn gedurende de gehele periode (vier jaar).
  3. Overschotten terug naar algemene reserve.
  4.  Verwachte tekorten of overschotten binnen programma oplossen. Gedurende het jaar wordt een verwacht begrotingsoverschot of - tekort niet tussen programma’s gecompenseerd om te voorkomen dat er onnodig en/of verkeerd wordt bijgestuurd op strategisch belangrijke onderwerpen. Voorstellen voor resultaatbestemming moeten al bij de 2e berap worden gedaan.
  5. Tussentijdse voorstellen (zoals eerder bij de P&C cyclus inhoudelijk toegelicht) kunnen alleen op basis van de twee O’s (onuitstelbaar en onvermijdelijk).
  6. De reserves moeten minstens voldoende zijn om een weerstandsratio van 2 te behouden die in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing wordt vastgesteld.
  7. Investeringen op basis van meerjarenraming.

Technische uitgangspunten

De begroting is op de volgende punten als volgt doorgerekend:

  • Loonontwikkeling
    De CAO gemeenteambtenaren loopt eind 2020 af. Vooruit lopend op een nieuwe CAO hanteren wij voor 2021 de volgende uitgangspunten:
    • Per 1 januari 2021 stijgen de salarissen met 1%
    • Prognose hogere premie-ontwikkelingen ten opzichte van 2020: ABP 3%, en WAO 0,31 %
  • Prijsontwikkeling
    De budgetten en subsidies zijn bijgesteld naar het daadwerkelijk verwachte prijsniveau 2021. Er wordt dus geen generieke prijscompensatie toegepast.
  • Geen meerjarige loon- en prijscompensatie
    Voor de begrotingsjaren 2022-2024 gaan we uit van het prijsniveau 2021. Er is dus zowel voor de inkomsten als de uitgaven geen rekening gehouden met verdere loon- en prijsstijging. De beleidsaanname daarbij is dat dit meerjarig een budgettair neutrale ontwikkeling is.
  • Renteontwikkeling
    Voor de berekening van de kapitaallasten (renteomslag) is uitgegaan van 1,13 %. Bij het opmaken van de jaarrekening wordt de renteomslag opnieuw berekend en tot de werkelijke omvang doorbelast aan de producten.
  • Rijksuitkeringen
    De meicirculaire 2020 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is bepalend voor de op te nemen raming in de begroting 2021-2024.
  • Belastingen en tarieven
    De tarieven die gezamenlijk de woonlasten bepalen (riool, afval, OZB) bepalen we zodanig dat deze maximaal 3% stijgen. Gezien de ontwikkelingen bij riool en afval betekent dit dat de OZB-opbrengsten met 3 % worden verhoogd. De woonlasten stijgen, rekening houdend met de mutaties in de riool- en afvalstoffenheffing, met gemiddeld 2,78%.
    Voor de rioolheffing en afvalstoffenheffing (voor beide netto na kwijtschelding) gaan we uit van 100% kostendekkendheid. De paragraaf Lokale Heffingen geeft een verdere toelichting op de belastingen en leges.

Geprognotiseerde balans


 

 

 

 

Toelichting op de balans activa

De activa bestaan uit vaste en vlottende activa.
Vaste activa bestaan uit de bezittingen van de gemeente die zij langdurig gebruikt voor haar bedrijfsvoering. Deze bestaan uit de (im)materiële vaste activa en financiële vaste activa. De vlottende activa zijn bezittingen met een looptijd korter dan 1 jaar en bestaan uit de voorraden, vlottende vorderingen, liquide middelen en overlopende activa.


a. (Im)materiële vaste activa
Dit betreft voornamelijk materiele vaste activa die bestaan uit investeringen met economisch of maatschappelijk nut.

  • In erfpacht gegeven gronden worden gewaardeerd tegen uitgifteprijs
  • Investeringen met economisch nut zijn gewaardeerd ten verkrijging- of vervaardigingprijs.
  • Investeringen met maatschappelijk nut zijn gewaardeerd ten verkrijging- of vervaardigingprijs. Reserves en specifieke investeringsbijdragen mogen in mindering worden gebracht. Op het saldo wordt afgeschreven, waarbij vervroegd afschrijven is toegestaan.
  • Activa met een verkrijgprijs minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.
  • Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
  • De afschrijvingstermijnen zijn te vinden onder bijlage I.

Immateriële vaste activa (IVA) betreft vaste activa die niet stoffelijk van aard zijn en tevens niet onder de financiële vaste activa worden begrepen. Dit betreft voornamelijk kosten van onderzoek en ontwikkelingen (afschrijvingstermijn maximaal 5 jaar).

 

b. Financiële vaste activa

Financiële vaste activa (FVA) betreffen:

  • Verstrekte langlopende geldleningen met een maatschappelijke bestemming.
  • Verstrekte hypotheken aan eigen personeel (sinds 2009 niet meer toegestaan).
  • Aandelen in gemeenschappelijke regelingen, deelnemingen en effecten.

c.Voorraden
De voorraden bestaan vanaf 2016 uit bouwgronden in exploitatie. De niet in exploitatie genomen bouwgronden (Niegg) zijn per 1 januari 2016 komen te vervallen. De gronden die voorheen onder deze categorie vielen, zijn nu opgenomen op de balans onder de materiële vaste activa, mits er geen korte termijn ontwikkeling is te verwachten.

d. Vlottende vorderingen (uitzettingen met een rentetypische looptijd < 1 jaar)
Dit betreft vorderingen op openbare lichamen, debiteuren, crediteuren en uitzettingen in de schatkist. De uitzettingen in de schatkist worden per kwartaal vastgesteld.

e. Liquide middelen
Dit betreft onze banksaldi bij de banken, waaronder BNG, Rabobank en interne kas (balie burgerzaken).

f. Overlopende activa
Hieronder worden gerekend de nog te ontvangen bedragen, vooruitbetaalde bedragen en de overige overlopende activa.

Toelichting op de balans passiva

De passiva bestaan uit vaste en vlottende passiva.
Vaste passiva zijn het lang vermogen waarmee de bezittingen zijn gefinancierd, bestaande uit het eigen vermogen (algemene reserve en bestemmingsreserves) en het vreemd vermogen (voorzieningen en vaste schulden).
Vlottende passiva bestaan uit de kortlopende vorderingen, namelijk de netto vlottende schulden en overlopende passiva.

a. Eigen vermogen: algemene reserve en bestemmingsreserves
De algemene reserve is bedoeld om mogelijke risico’s en fluctuaties in de exploitatie op te kunnen vangen. Het is een vermogensbestanddeel dat bedrijfseconomisch gezien vrij opneembaar is. De bestemmingsreserves zijn door de raad vastgesteld. Hier zijn specifieke bestemmingen aan gegeven.

b. Voorzieningen
Voorzieningen worden gevormd voor kosten die al voorzien worden, maar waarvan de kosten in de komende jaren komen, dan wel per jaar sterk fluctueren (egalisatie).

c. Vaste schulden
Dit zijn de schulden met een looptijd van één jaar of langer. De langlopende leningen.

d. Vlottende schulden
De vlottende schulden zijn schulden met een looptijd korter dan een jaar. Bijvoorbeeld de saldi bij diverse banken en kasgeldleningen.

e. Overlopende passiva
Hieronder worden bijvoorbeeld gerekend de nog te betalen bedragen, van derden verkregen middelen en vooruit ontvangen bedragen.